Met De Stem gaat David Mendes da Silva vandaag terug naar zijn roots.
Van het pleintje op weg naar de top
Door Bas Timmers
Zaterdag 23 april 2005 – ROTTERDAM – „Hier ben ik begonnen met voetballen, toen ik vier of vijf jaar was. Voorzetjes geven tussen de palen en bomen op het grasveldje door“, vertelt Mendes da Silva. Het regent zachtjes aan de Sibajakstraat, in Rotterdam-west als de voetballer zijn geboortegrond toont. Het maakt de uit grijze stenen opgetrokken flats, vier verdiepingen hoog, nog grauwer dan ze normaal al zijn. Een dag later, als Mendes da Silva de de fotograaf ontvangt, schijnt de zon.
Mendes da Silva met zijn vrienden op het pleintje bij zijn ouderlijk huis, waar hij de fijne kneepjes van de balsport onder de knie kreeg.
Maar zelfs in de regen is de wijk Schiemond rond het middaguur levendig. „Als straks de scholen uit gaan, staat het veldje weer vol met voetballende jongens.“
Vanuit het appartement van zijn ouders, op twee-hoog, kan hij zo naar het veldje op de binnenplaats kijken. Als jochie bracht hij er ontelbare uren door. Bij regen balden ze lekker door in de overdekte passage, de pilaren kwamen van pas bij het paaltjesvoetbal. „Als jouw paal geraakt werd, kreeg je billenkoek of zo, haha.“
Hij is de middelste van vijf kinderen uit het gezin Mendes da Silva. Het ouderlijk huis staat vol met foto’s van zijn twee broers en twee zussen, waarvan er nog twee thuis wonen. Zelf kocht hij zes maanden geleden een appartement in Barendrecht, maar de voetballer is nog bijna elke dag bij zijn ouders te vinden.
Vader kijkt vanaf een foto aan de muur mee. Gekleed in smetteloos wit kapiteinskostuum. De Kaapverdiaan reisde als zeeman over de hele wereld, kwam voor zijn werk vaak in de Rijnmond en besloot er te blijven. Ook zijn moeder is afkomstig van de Kaapverdische Eilanden, een archipel aan de west-kust van Afrika. Ze verkaste naar Rotterdam, op zoek naar werk en een betere toekomst, zoals zoveel van haar landgenoten. Waarvan ze er dus eentje in Nederland ontmoette en er het gezin Mendes da Silva mee stichtte.
„Kaapverdianen vind je verspreid over de hele wereld“, vertelt de jongeling. In Parijs is een grote gemeenschap. In Lissabon ook. „Het Kaapverdiaans lijkt immers veel op het Portugees. Wij spreken thuis ook vrijwel alleen gebroken Portugees, bijna nooit Nederlands.“
Rotterdam herbergt de grootste groep Kaapverdianen in heel Nederland. Die concentreren zich echter niet in een bepaalde wijk. „We kennen elkaar wel. Maar je ontmoet iedereen alleen op zondag in de kerk.“
Daarom ging de jonge David niet naar de openbare basisschool in de buurt maar naar de katholieke aan de Schiedamseweg. Elke dag met de tram op en neer. „Zonder kaartje. Als ik de controleur zag, sprong ik er snel uit.“
De voormalige bewoners van de tropische eilandengroep zijn allemaal katholiek. Ook de flat van zijn ouderlijk huis staat vol met beeldjes van Jezus en Maria.
Kom je nog in de kerk?
„Alleen met Pasen en Kerst. Tot mijn zestiende moest ik elke week. Maar tegenwoordig moet ik bijna elke week op zondag voetballen, dus is het moeilijk vaak naar de kerk te gaan.“
Geloof je nog wel in God?
„Ja, het betekent nog wel iets voor me. Alles wat je hebt, al het geluk dat je krijgt, komt door het geloof. Ik bid ook nog elke dag.“
En voor de wedstrijd?
„Ja. Dan bid ik niet om de wedstrijd te winnen, maar om blessurevrij te blijven en de dingen te laten zien die je kunt.“
Hij loopt in grijs joggingpak door zijn Schiemond. Iedereen kent elkaar nog hier.
Een echte volksbuurt, waar allerlei nationaliteiten zich met elkaar vermengen tot een ietwat luidruchtig en extravert geheel. „Dan moet je in de zomer eens langs komen“, lacht zijn neef Milton Ramos, die zelf trouwens niet onverdienstelijk topscorer is bij tweedeklasser Spartaan ’20 in Rotterdam. „Iedereen uit de flat zit dan op het trottoir te barbecuen, drinken, kletsen. Echt supergezellig.“
Tot problemen komt het eigenlijk nooit tussen de Nederlanders, donkere mensen, Turken en Marokkanen, zoals Mendes da Silva zelf de mix omschrijft. Ja, met andere wijken zijn er wel eens akkefietjes, omdat sommige jongens hun ‘territorium’ willen beschermen. „Bij de supermarkt staat altijd een groep jongens. Die hebben niks te doen, staan daar de hele dag te kijken.“
Bij de supermarkt staat inderdaad een buurtgenootje, die een half jaar terug nog door zijn been geschoten werd. Dat is gelukkig geen schering en inslag, verzekert de voetballer. De wijk onveilig? Nee hoor, roept hij. Een paar jaar terug was dat anders, omdat de buurt overspoeld werd door junks van de vlakbij gelegen tippelzone aan de Keileweg. De reputatie van dit deel van de stad is nog steeds niet zo geweldig, maar je kunt er ’s avonds best rondlopen, bezweert de voetballer. „Al zijn er natuurlijk jongens die wat extra geld willen verdienen.“
Maar de Rotterdammer voelt zich er thuis. Vooral op de talloze pleintjes. Nog steeds trapt hij er regelmatig tegen een balletje. Vooral in de zomer. Ploeggenoot Jurgen Colin doet ook wel eens mee. En Ajax-voetballer Nourdin Boukhari. Die groeide op aan de andere zijde van de Westzeedijk, waar zijn ouders nog steeds wonen. „Nourdin is echt voetbalgek. Ik doe nog andere dingen, maar hij is in de zomer echt elke dag op het plein.“
Al van jongs af aan steekt de Marokkaan regelmatig uit zijn eigen buurt over naar het trapveldje aan de Slamatstraat, het thuishonk van Mendes da Silva. Het ene pleintje tegen het andere pleintje, zo ging het destijds en zo gaat het nu nog. Vier tegen vier. Wie verliest ligt er uit en moet achter in de rij aansluiten. „In de zomer is het hier echt druk. Als je dan verliest, ben je de lul, dan kun je echt lang wachten.“
Het is de harde leerschool van het straatvoetbal. „Vroeger was het hier alleen gras, maar wij spelen liever op steen. Kun je beter trucjes op uithalen. Nu liggen er gelukkig tegels. En hebben we verlichting, zodat we tot ’s avonds laat door kunnen spelen. Alleen die hekken rond de speeltuin zijn onhandig. Kinderen blijven daar met hun kleren hangen als ze de bal willen halen.“
En gaat de bal niet over het hek, dan vliegt-ie aan de andere kant wel de Maas in. Vroeger, vertelt hij, hadden ze een jongen die voor een paar gulden zo de rivier in sprong om het speeltuig op te vissen.
Ging het destijds ook al om panna, om de bal bij iemand door de benen te schieten?
„Haha. Nee, hier werd zakelijk gevoetbald. Gewoon tik-tik en scoren. Het ging vroeger niet om het poorten, maar om het winnen. Tegenwoordig is het panna, panna, panna.“
Heb je hier op het plein leren voetballen?
„Ja, echt wel. Bij Sparta kreeg ik een opleiding om op het veld te voetballen.“
Is het niet raar om als volwassen man nog op het plein te zijn?
„Leuk toch? Je moet alleen uitkijken voor blessures. Dit is echt puur plezier.“
Mis je dat op zondag wel eens?
„Ik speel en train elke dag met plezier, maar het is anders. Dat is moeilijk uit te leggen, maar alle straatvoetballers weten wat ik bedoel.“
Een kilometer verderop, in Spangen, leerden ze hem de kneepjes van het profvak. Amper zeventien jaar debuteerde hij in het eerste elftal van Sparta.
Het tweede elftal sloeg hij over. Daar speelde hij één vriendschappelijk wedstrijdje, omdat hij bij de A-jeugd na een rode kaart geschorst was.
Mendes da Silva die rood krijgt? „Haha, is me vroeger een paar keer gebeurd. Ik heb Yuri Cornelisse nog wel eens neergeschopt, was ook rood. Daar kwam hij meteen op terug toen ik naar NAC kwam.“
In de tussenliggende periode speelde hij ook nog een halfjaar op huurbasis voor Ajax. De Amsterdammers wilden uiteindelijk de koopoptie in de overeenkomst niet lichten. „Ze moesten nog een fiks bedrag voor me betalen. Ronald Koeman vertelde me dat ze dan zeker moesten weten of ik beter was dan de spelers die ze hadden. Logisch. Door blessures heb ik echter niet de kans gehad om me te bewijzen. Pech.“
Maar kenners twijfelen er niet aan dat die topclub er toch nog wel komt voor de middenvelder. NAC plukte hem begin dit seizoen weg bij Sparta uit de eerste divisie. In Breda ontwikkelt hij zich voorspoedig, vooral zijn rushes maken veel indruk. Tegen NEC was hij zelfs aanvoerder bij absentie van Rob Penders.
AZ is slechts een van de clubs die hem zeer intensief volgt. „Maar ik ga er nog steeds vanuit dat ik volgend seizoen nog bij NAC speel“, vertelt hij, inmiddels weer aangekomen bij het ouderlijk huis. „Ik ben nog lang niet uitgeleerd in Breda.“
Waarna, heel bescheiden, inderdaad een hele opsomming volgt. Hij moet nog constanter worden. Meer praten. Het spel verdelen. Minder fouten maken. Maar aan de andere kant acht hij zich wel al klaar voor een topclub. Ook als die uit het buitenland komt. „Als uit die hoek ineens een mooie kans komt, neem je hem misschien wel. Net als toen Racing Genk zich meldde voor Orlando Engelaar.“
Zijn ogen beginnen weer even te stralen. Engelaar is ook een Rotterdammer, kwam ook wel eens in Schiemond op de pleintjes. „En ik hoor van de jongens hier dat hij veel techniek heeft.“
Deze zomer wellicht een partijtje?




6 comments on “Mendes da Silva terug naar zijn roots”
Arie
Goeiedag, ik lees de kop van dit stukje en schrik me rot, hij zal toch niet `teruggegaan` zijn naar a`dam?
mooi stukske, goeie voetballer, hopelijk blijft tie nog een aantal jaren
NACBreda
@ Arie:
Quote:
"Goeiedag, ik lees de kop van dit stukje en schrik me rot, hij zal toch niet `teruggegaan` zijn naar a`dam?"
Volgens mij heb jij echt alleen maar de kop gelezen dan, want terug gaan naar "zijn a`dam" is voor Mendes volgens mij net zoiets als zeggen dat God niet bestaat. Als echte Rotterdammer kan hij dat niet waarderen lijkt mij.
Het is trouwens wel een mooi artikel…
RobNAC
Wat een kop, was dat even schrikken. Gelukkig werden de bange vermoedens niet bewaarheid. David blijf aub nog een tijdje bij NAC. We genieten van je!
NAC-nr1
Blijf bij NAC[:]
FES
Mooie lap tekst. `n Straatschoffie die zijn kwaliteiten benut. Goeie instelling.
bredagirlxxx
het is wel leuk dat hij bij nac kwam voetballen met de wedstrijd nac- vittesse heb ik zijn hand vast gehouden groetjes en heelv vvvvveeeelllll kusjes aan mendes da silva van de beste nacgirl fan